Welkom in Mar Elias: in dit Palestijnse vluchtelingenkamp blijft de hoop op een terugkeer naar huis springlevend

Bij een bezoek aan Beiroet komt journalist Montasser AlDe’emeh, kind van Palestijnse vluchtelingen, terecht in het kamp Mar Elias. Het Israëlisch-Palestijnse conflict verdreef de families in 1947-1949 van hun geboortegrond. ‘Ze verjaagden ons, maar ooit gaan we terug.’

Ik loop met fotografe Aurélie Geurts door de straten van Beiroet wanneer ik plots achter een drukbezocht groentekraam de vlag van Palestina op een omheining zie wapperen. Even verderop: de zwarte vlag van Islamitische Jihad, groene vlaggen van Hamas, foto’s van Yasser Arafat op de gevels en verlichtingspalen. Dan weet je: we naderen een Palestijns vluchtelingenkamp.

Lachende kinderen voetballen op straat, omdat er meer plaats is buiten dan binnen de muren van het kleine kamp. Overal hangen vlaggen. Vrouwen doen de was, mannen leuren met brood op straat. Hier geen checkpoints of prikkeldraad, wel een gezellige microkosmos.

Op het eerste gezicht lijkt het kamp, Mar Elias, één te zijn met Beiroet, helemaal geïntegreerd in het stedelijke weefsel. Maar achter de lachende gezichten gaan andere verhalen schuil. Mar Elias is de noodgedwongen ‘thuis’ van Palestijnse vluchtelingen, wier families door het Israëlisch-­Palestijnse conflict in 1947-1949 moesten vluchten. Dat overkwam ook mijn ouders, die toen 1 en 7 jaar waren. Mijn grootouders trokken naar de Westelijke Jordaanoever. Maar andere families gingen richting Libanon, waar ze nog steeds willens nillens verblijven, staatloos en ontheemd.

Voor een slagerij zitten vier mannen druk ­gesticulerend met elkaar te praten. Ali Dirawi barst uit in een monoloog wanneer we hem naar zijn verhaal vragen. Hij komt uit het Palestijnse ’Amqa, niet ver van het havenstadje Akko. Maar Ali is er nooit geweest. De voortdurende confrontatie met zijn onmacht om terug te keren maakt hem bijna gek. “Je kunt de ruïnes van de gedeeltelijk verwoeste moskee nog gaan bezichtigen en enkele huizen staan nog recht. Ik zou het graag doen, maar het is onmogelijk om mijn dorp en het land van mijn voorouders te bezoeken.”

Toch heeft Ali de hoop op een terugkeer naar Palestina niet opgegeven. “Wij, Palestijnse vluchtelingen, verzetten ons tegen alle pogingen tot tawtin (permanente vestiging in Libanon, red.), ook al worden wij, eeuwige vluchtelingen, in Libanon voortdurend naar de rand van de samenleving geduwd. We hopen nog steeds op een terugkeer naar Palestina. Ook onze nakomelingen, mijn kinderen en kleinkinderen, zullen Palestina niet opgeven. In elke familie zijn er martelaren gevallen. We zijn er 200 procent van overtuigd dat we ooit zullen terugkeren.”

Begin juli kwam het nieuws dat zowat 3.000 Palestijnen in het vluchtelingenkamp in Jenin op de Westelijke Jordaanoever het kamp moesten verlaten na een grote en gewelddadige operatie van het Israëlische leger, met luchtaanvallen en grondtroepen. Hier in Mar Elias wordt elk nieuws over Israël en Palestina van dichtbij gevolgd.

“Een aanval op één Palestijn is een aanval op ons allemaal. Wat de zionistische vijand ook doet, hij zal nooit overwinnen. De zionisten houden Palestina bezet, hebben ons verjaagd en verhinderen dat we terugkeren. Dat is onrechtvaardig. Bovendien hebben Arabische landen in 1967 onze resterende gebieden prijsgegeven. Wij voelen ons als weeskinderen.”

De Palestijnse partijen en het Libanese Hezbollah, dat zich graag als beschermer van het Palestijnse volk opwerpt, ontsnappen niet aan kritiek. Sommige Palestijnen nemen het Hezbollah kwalijk dat het in Libanon het monopolie op het verzet lijkt te hebben. “Hezbollah? Ze staan tussen ons en Israël; Palestijnen die aanvallen willen ondernemen tegen de zionistische vijand worden tegengehouden.”

DOCHTERTJE VERGETEN

Naast Ali zit Kamal Fayyad in wit trainingspak naar achteren gebogen, zijn ogen vol verdriet, zijn wenkbrauwen vertrokken in een gepijnigde frons. Zijn ouders vestigden zich in het zuiden van Libanon. “Toen mijn familie uit Palestina moest vluchten, plukte mijn moeder een kussen uit een stoel in plaats van mijn zusje op te tillen. Ze was zo in paniek dat ze pas even later besefte dat ze haar dochter was vergeten. Gelukkig kon ze nog terugkeren en haar ophalen.”

De familie kwam uiteindelijk in het vluchtelingenkamp Rashidieh terecht, in het zuiden van Libanon. “Door de gebrekkige sociale voorzieningen waren de eerste vijf jaren daar erg moeilijk. We leefden letterlijk in de vuiligheid. We hadden geen rechten en werden om de haverklap vernederd. Het gevoel leefde dat er geen andere optie was dan gewapend verzet.”

Kamals zoon vertrok, net als veel hoogopgeleide en jonge Palestijnen en Libanezen, naar Europa. “Hij had hier geen toekomst, maar in Duitsland heeft hij nog altijd geen verblijfsvergunning, waardoor hij ons niet kan komen bezoeken. Ik heb hem al elf jaar niet meer gezien.”

Een timide man in blauwe jeansbroek komt aangewandeld. Hij is onze gids voor het kamp. Karam al-Zaqqa is kind van een Palestijnse vader uit Haifa en een Libanese moeder. Zijn familie leefde oorspronkelijk in het vluchtelingenkamp Tel al-Zaatar in het noorden van de stad, maar tijdens een aanval in 1976 op het kamp, waarbij veel Palestijnen werden gedood, vluchtte ze naar Mar Elias.

Karam leidt ons naar een van de ingangen van het kamp, dat ongeveer tweeduizend mensen telt. Op veel plaatsen hangen hier foto’s van gedode strijders van de Palestijnse Leeuwenkuil-militie (Arin al-Usud), die vorig jaar opdook op de bezette Westelijke Jordaanoever. Enkele kinderen spelen tafelvoetbal naast de muur met affiches van de gesneuvelden. Ook in de vluchtelingenkampen in Libanon lijken jongeren meer te voelen voor nieuwe gewapende groeperingen als Arin al-Usud dan voor de traditionele Palestijnse verzetsbewegingen.

In het kamp is de Ghassan Kanafani Cultural Foundation (GKCF) gevestigd, die zich op kinderen met een meervoudige handicap richt. De stichting is genoemd naar de Palestijnse schrijver Ghassan Kanafani, die op 8 juli 1972 werd vermoord. Net als de Palestijnen in diens korte roman Mannen in de zon hebben velen hier nog steeds het gevoel in een uitzichtloze situatie te zitten. Maar we komen in de smalle, kronkelende steegjes ook jongeren tegen die ons vertellen dat ze de hoop op een terugkeer naar Palestina niet hebben opgegeven.

Rana is een van hen. Ze houdt haar grootmoeder Ruqayya gezelschap, die erwten schoonmaakt voor het avondmaal. Ze zijn de zoveelste Palestijnse familie die in 1948 hun thuisland halsoverkop verliet. Maar ook 75 jaar na dato blijft de wijzer van Rana’s kompas in de richting van Palestina wijzen.

In Mar Elias wonen ook mensen die uit Syrië komen, gevlucht voor het geweld. “Als God het wil zullen we terugkeren naar Palestina, maar het zal niet voor meteen zijn. Niemand bekommert zich om ons”, zegt Hanadi. Ze is zo verdrietig dat ze niet meer voort kan praten. In 1948 ontvluchtte haar familie hun Palestijnse dorp in het huidige Israël. Na omzwervingen belandde ze op het platteland rond Damascus. Toen het oorlog werd in Syrië, kwamen ze in Libanon terecht.

Gids Karam heeft op zijn 48ste al de nodige ­catastrofes meegemaakt. Twintig jaar geleden vielen de VS Irak binnen en begon de radicalisering van veel moslimjongeren wereldwijd. Hij besloot naar Irak te trekken om er tegen de Amerikanen te strijden. “De pijn in mijn hart was onbeschrijflijk toen de Amerikanen hun invasie begonnen. Een oorlog gebaseerd op ­leugens. Ik zag geen andere uitweg dan de ­gewapende strijd.”

Telkens als hij over Saddam Hoessein spreekt, verandert de blik in zijn ogen. “Hij was de enige oprechte Arabische leider.” Volgens Karam moest Saddam uit de weg worden geruimd omdat hij de Palestijnse verzetsgroepen steunde.

Lang hield Karam het niet vol in Irak. Na enkele weken keerde hij al terug naar het kamp. “Ik hou niet van oorlog. In Mar Elias probeer ik nu mijn steentje bij te dragen om het leven van de Palestijnen draaglijk te maken, ook al besef ik dat het ondraaglijk is geworden en dat jongeren naar Europa willen emigreren. Persoonlijk droom ik nog steeds van een terugkeer naar Haifa. Mijn vader benadrukte dat het licht en het leven uiteindelijk zullen overwinnen, hoelang het onrecht ook duurt.”

Even verderop lopen we Kamal Fayyad nog eens tegen het lijf. Hij geeft ons PLO-sjaals en vlaggen. “Een tijdje geleden bezocht ik Maroun al-Ras in Zuid-Libanon. Ik zag achter het hek mijn dorp liggen, maar ik kon er niet naartoe. Nooit zal ik dit nog doen, ik kan het niet meer aan.”

Ook te raadplegen via de website van De Morgen.

Reageer