Dyab Abou Jahjah, activist voor Gaza: ‘Op mijn 14de droeg ik voor het eerst een wapen. Een Belgisch geweer, groter dan ikzelf’

Dyab Abou Jahjah (55) was vóór de genocide in Gaza wat milder aan het worden, zegt hij, maar nu staat hij weer onverschrokken op de barricaden. Met de oorlog in zijn geboorteland Libanon als trieste brandstof klinkt de activist, schrijver en opiniemaker scherper dan ooit. Zijn Hind Rajab Foundation jaagt via rechtbanken wereldwijd op Israëlische oorlogsmisdadigers, wat hem doodsbedreigingen van hooggeplaatste Israëli's en permanente politiebewaking oplevert.

Die doodsbedreigingen zijn geen lachtertje. Dyab Abou Jahjah toont ons een video die net op het internet is verschenen: Ofer Winter, een voormalige officier van het Israëlische leger (IDF), filmt zichzelf in zijn auto met zijn smartphonecamera. Hij noemt Abou Jahjah ‘een terrorist in maatpak’ en zijn Hind Rajab Foundation ‘antisemitisch’. Hij vermeldt Abou Jahjahs geboortedorp Hanin in Zuid­Libanon, vlak bij de grens met Israël – ‘een dorp van terroristen dat we lang geleden hebben verwoest’. Winter beschuldigt Abou Jahjah van een ‘heksenjacht’ op soldaten van het IDF en besluit dat het nu zijn beurt is om te worden opgejaagd.

DYAB ABOU JAHJAH «Een bijzon­der ernstig dreigement, zeker als je weet dat de man verant­woordelijk is voor de zoge­naamde Black Friday­slachting in 2014, toen in Rafah meer dan honderd Palestijnse bur­gers werden afgemaakt. Een oorlogscrimineel dus – en dan pocht hij nog over de vernieti­ging van mijn geboortedorp.

»We hebben hem voor zijn wandaden in Rafah aange­klaagd toen we te weten zijn gekomen dat hij in Italië zou komen spreken voor Israë­lische toeristen. Daar kan hij duidelijk niet om lachen. Aan het einde schakelt hij over op het Arabisch: ‘Iedere hond krijgt zijn dag.’ We weten hoe zulke uitdrukkingen gebruikt worden door Israëlische com­mandanten. Het betekent in essentie: we gaan je vermoor­den.»

HUMO Met uw Hind Rajab Foundation spoort u Israëlische militairen op in het buitenland om ze ter plaatse te kunnen aanklagen.

ABOU JAHJAH «Het internatio­nale recht heeft geen tanden, nationale rechtbanken wel. Daarom dienen we een klacht in tegen bewezen Israëlische oorlogsmisdadigers zodra ze zich buiten hun eigen grenzen wagen, op zakenreis of, zoals vorige zomer, om te komen dansen op Tomorrowland. Voor die twee festivalgangers hebben we toen een dossier aangelegd. De ene was betrok­ken bij aanvallen op ziekenhui­zen, de andere was leider van een eenheid die systematisch waterreservoirs en wegen ver­nietigt om de Palestijnen het leven onmogelijk te maken: een genocidaire oorlogsmisdaad.

»Dat kunnen we bewijzen, hè. Die mannen wanen zich straffeloos, ze posten hun mis­daden gewoon op sociale media. Privé, denken ze, maar wij heb­ben manieren om die berichten toch te lezen. We spreken ook met getuigen ter plaatse.»

HUMO Werkt die strategie? ABOU JAHJAH «Ja. Dat merk je aan de reacties van de Israëliërs: ze worden voorzichtiger, er is zelfs een commissie opgericht om ons tegen te werken. En aan die bedreigingen, natuurlijk – onlangs nog van de Israëlische minister Amichai Chikli.»

HUMO Neemt u die bedreigingen serieus?

ABOU JAHJAH «Absoluut. Al denk ik niet dat ze in België snel tot fysiek geweld zullen over­ gaan – misschien ben ik naïef. Maar zelfs hier krijg ik de raad voorzichtig te zijn: let op wat je eet, wat je drinkt. Vergiftiging, niet traceerbaar, zo gaat de Mos­sad te werk. De politie zegt dat ook – ik sta onder bescherming, ze patrouilleren geregeld in mijn buurt. Mijn nummer is een pri­oritaire lijn geworden: als ik bel, of mijn vrouw of dochters, ziet de dispatcher dat meteen. Ik probeer zo normaal mogelijk te leven, veel van die adviezen volg ik gewoon niet, om het leefbaar te houden. En eerlijk: als de Mossad mij wil doden, zullen ze dat doen. Ik kan dat toch niet tegenhouden.»

HUMO Zou u het martelaarschap als een eer beschouwen, zoals veel verzetsstrijders?

ABOU JAHJAH «Nee, fuck eer. Ik ben 55 jaar, ik heb vier doch­ters, ik wil niet dat ze zonder vader opgroeien. Ik wil me niet gek laten maken, maar ik leef wel voorzichtig: ik reis amper, ik vermijd bepaalde landen. Libanon is nu bijvoorbeeld een no­-go. Dat is ook het advies van de Belgische overheid.

»In oktober 2024 is mijn huis in Libanon gebombardeerd. Net na het staakt­-het­-vuren, dat eigenlijk nooit heeft bestaan. Het was het enige huis in de straat dat geraakt werd, met een geleide precisiebom: dat is geen toeval. Mijn ouders waren gelukkig niet thuis, maar ik leef met de voortduren­de angst dat ze hun of mijn gezin iets zouden aandoen.»

DORP ONDER VUUR

Met zijn honende verwijzing naar het bombardement van het Libanese dorp Hanin rakelde Ofer Winter een pijn­lijke herinnering op. Als kind en tiener is Abou Jahjah er opgegroeid onder de Israë­lische bezetting, wat zijn latere inzet voor de Libanese zaak en voor verzetsstrijders overal ter wereld verklaart.

ABOU JAHJAH «Hanin was een piepklein dorpje van zo’n dui­zend inwoners, omringd door heuvels. Ik herinner me dat ik bij de vijgenboom in onze tuin stond toen er plots zware heli­kopters overvlogen. Mijn moe­der trok me in paniek naar binnen. Toen ik vroeg waarom ze zo bang was, zei ze dat het slechte mensen waren die op ons zouden schieten. Ik was toen 4 jaar, maar die angst is me altijd bijgebleven.»

Beeld Aurélie Geurts. Lees verder via de website van Humo.

Reageer