Onderzoeker tussen polderjihadisten in Syrië

Ze missen mayonaise, frietjes en hun ouders

Met gevaar voor eigen leven begeeft onderzoeker Montasser AlDe’emeh zich onder de polderjihadisten in Syrië. Hij trekt met ze op, praat met ze en ligt met ze onder vuur. Alles om te begrijpen wat de jongeren drijft.

Bam. Een raket slaat in. Nooit eerder hoorde onderzoeker Montasser AlDe’emeh het geluid, of zag hij de gloed, die de lucht oranje kleurt. In Aleppo, Syrië, ligt hij voor het eerst in zijn leven onder vuur. Net als de Nederlandse en Belgische jihadstrijders, bij wie AlDe’emeh verblijft. "Het kan zijn dat er straks één op mijn kop terecht komt." Hij klinkt rustig, als hij via skype vertelt over wat hij meemaakt. Maar de zenuwen moeten toch gieren door het lijf van de Belg. Is hij bang? Hij weet het niet. "Het is ongelooflijk. Daar is nog een bom, die ergens ontploft."

AlDe’emeh doet als promovendus aan de Universiteit Antwerpen en de Katholieke Universiteit Leuven onderzoek naar radicalisering en jihadisme. Hij schrijft over de jongeren die hun thuislanden in het westen de rug toekeren. Letterlijk, om te vechten in Syrië. Om ze te kunnen begrijpen, heeft AlDe’emeh besloten hen te volgen. Het was kinderlijk eenvoudig. Vanuit Brussel vloog hij via Istanboel naar Hatay, daar nam hij een taxi naar de Turks-Syrische grens. Even zorgden gevechten voor oponthoud, maar AlDe’emeh wist binnen twaalf uur de grens met Syrië over te steken. Zonder ook maar één paspoortcontrole.

Nu leeft hij te midden van polderjihadisten die zich hebben aangesloten bij de islamitische rebellenbeweging Jabhat al-Nusra, in de wetenschap dat hij mogelijk met ze zal sterven. Dat risico neemt hij bewust. "Ik wist dat ik moest gaan, voor mijn onderzoek. Ik wil genuanceerd kunnen schrijven, moet me daarvoor kunnen inleven, kunnen kijken. Ik ben op zoek naar de waarheid. Als ik niet terugkom, heb ik in elk geval wat willen doen in deze wereld."

Na drie dagen in Syrië staat zijn leven totaal op zijn kop. In een ziekenhuis zag hij de barre omstandigheden, waaronder artsen hun werk moeten doen. Het schrijnende verschil met de ziekenhuizen in België doet zijn hart ineenkrimpen. Maar AlDe’emeh zag ook strijders, met kogels in hun rug. Hij hoorde over de massagraven, die vlakbij zijn te vinden. "Hier heeft vrijwel iedereen iemand verloren." Gisteren bezocht hij een wijk in Aleppo die vrijwel volledig is verwoest door raketten, afgevuurd door het Syrische regime tegen wie de polderjihadisten strijden. En dan is hij er nog maar net.

AlDe’emeh heeft al tientallen strijders gesproken, voornamelijk Nederlanders. Ze hebben hem verteld hoe de beelden uit Syrië en het gebrek aan hulp vanuit het westen hen ertoe dreven de wapens op te pakken. Maar ook hoe ze zich niet thuis voelden in de landen waar ze tot voor kort woonden. "Nederlanders zeggen me dat ze minder kansen krijgen op de arbeidsmarkt, als ze Ahmed of Mohammed heten." Belgen vertellen hoe ze geraakt werden, door bijvoorbeeld het hoofddoekverbod op scholen. "Ze hadden niet het gevoel zichzelf te kunnen zijn. Hier in Syrië kunnen ze leven naar hun eigen waarden en normen."

En toch missen de polderjihadisten hun voormalige thuisland soms. Frietjes, ketchup, mayonaise. Hun ouders. "Vooral de meisjes hebben het zwaar. Zij waren gebonden aan hun ouders, hebben die achtergelaten voor het leven in een oorlogssituatie. Hier heerst de kalasjnikov." De gezichten van de strijders die AlDe’emeh ontmoet, zijn mager. Eten is er niet in overvloed, in het kapotgeschoten, verlaten Aleppo. "Op de plek waar ik verblijf is de watervoorziening slecht. De elektriciteit valt vaak uit. Toch merk ik dat er wordt gelachen. Ze zijn niet droevig om de keus die ze hebben gemaakt."

De jihadstrijders vertellen hem niet terug te willen, naar Nederland of België. In Syrië hebben ze huwelijken gesloten, kinderen gekregen. "Bijna alle strijders zijn getrouwd." Hier moet het kalifaat verrijzen, waar ze zich thuis zullen voelen. Om dat doel te bereiken, wordt heftig gevochten. Tegen het regime van Al-Assad, maar soms ook tegen andere rebellenlegers zoals ISIS en dus andere Nederlanders. "Ik ben nog niet mee geweest op een gevecht, zo ver is het nog niet gekomen. Maar als de strijders gaan, ga ik mee. Ik trek met ze op, de hele dag. Ook dan."

Tot eind juli althans. Op de 24ste keert AlDe’emeh terug naar België, zijn thuisland. "Langer kan ik mijn leven niet op het spel zetten, ook al zou ik willen blijven, om goed onderzoek te kunnen doen."

Op AlDe’emeh wacht een leven dat in schril contrast staat met dat in Syrië. Hij zal promoveren, als doctor de toekomst tegemoet gaan. Maar ook als een ander mens. Vastbesloten om de wereld beter achter te laten dan hij hem aantreft. En om genuanceerd te vertellen, over Syrië en de mannen en vrouwen die daar naartoe gaan. "Ik weet dat overal ter wereld onrecht is. Of het nu in Gaza is, waarvandaan mijn Palestijnse ouders vluchtten, of in Mexico, waar drugsoorlogen talloze slachtoffers eisen. Maar Syrië heeft me geraakt, me veranderd. Onrecht is anders, als het zich voor je ogen afspeelt.’’

ROBBERT SALOME EN CARLA VAN DER WAL

Algemeen Dagblad

Reageer